Spektakel

Iedere morgen stond onze buurman vroeg op om noeste arbeid te leveren. Dat omschrijf ik met archaïsche woorden, omdat ons Pim buitengewoon ouderwets te werk ging. Niemand wist precies waar hij aan werkte, tussen de vier benauwde muren van zijn garage, maar de hele straat hoorde hem hameren en zagen. Een boormachine of tube lijm waren er niet bij. De eerste dagen was ik blij dat hij een hobby had gevonden. Lekker knutselen. Iets om zijn leven draaglijk te maken, zo-even na de zelfdoding van zijn zoon – een tragedie die je ons Pim niet toewenste; zijn vrouw wel, het kreng, dat haar eigen zoon min of meer de dood inpraatte.

Poetspas

Kwart over vijf, half zes. De jeugd ligt in stegen en parken, knock-out door koning alcohol. Of ze vozen met elkander, klungelig condooms knopend of de volgende generatie bij elkaar inspuitend, terwijl hun ouders zich een gipswand verder tevergeefs verzetten om arbeid te leveren. Ik beloop de pleinen van de stad onder het geloei van wekkers. De ouders snoezen verder, nog even dan, en hun kroost krikt de laatste stoot. Zij die niet spuiten, kotsen. Ook dat hoor ik, terwijl ik met mijn twee emmers door de stad paradeer. Eén met het gebruikelijke spul, geurend naar limoen, en één met benzine.