Het welkom in Havana

De kleffe warmte van Havana Airport klampte zich aan ons vast. Daar liep ze, Isabella, Maria of hoe Cubaanse vrouwen ook mogen heten. Communisme, de Castro’s, sigaren en rum: dat was Cuba voor mij. En nu komt zij daarbij, zij van de douane. Haar pakje was grijsbruin of grijsgroen – ik ben niet goed in kleuren, hoor ik voortdurend –, maar haar lange benen ontgingen mij in geen geval. Ze liep langs me. De mitrailleur stootte tegen haar heup. Ik probeerde naar haar te lachen. Zo schoon hebben we ze thuis niet, dacht ik. Van mij hoefde het niet meer. Ik wilde het land helemaal niet meer in. Beter dan die douanebeambte werd Cuba niet. Zij was Cuba.

De nachtelijke besognes van Bram Peters

Toen de nacht inviel, draaide Bram Peters de toiletdeur van het slot, zette deze voorzichtig open en vergrootte de kier door zijn hoofd voorzichtig door de ontstane opening te duwen. Hij had enkele uren in het donker gezeten, waardoor zijn ogen gewend waren om schimmen te onderscheiden. De overloop was van alle leven ontdaan, zag hij, maar hij wilde er zeker van zijn. Hij luisterde of er iemand was achter een van de vele deuren. Een minuutlang bleef het stil. En ook de volgende drie minuten suisde enkel de meest zuivere stilte zijn oren binnen.