De nachtelijke besognes van Bram Peters

Toen de nacht inviel, draaide Bram Peters de toiletdeur van het slot, zette deze voorzichtig open en vergrootte de kier door zijn hoofd voorzichtig door de ontstane opening te duwen. Hij had enkele uren in het donker gezeten, waardoor zijn ogen gewend waren om schimmen te onderscheiden. De overloop was van alle leven ontdaan, zag hij, maar hij wilde er zeker van zijn. Hij luisterde of er iemand was achter een van de vele deuren. Een minuutlang bleef het stil. En ook de volgende drie minuten suisde enkel de meest zuivere stilte zijn oren binnen.

Op de kermis

– Kom je hier vaker? – Meestal één keer per jaar. Soms twee keer. – Ja, ik wilde net zeggen: volgens mij zag ik jou gisteravond ook lopen. – Is dat zo? – Ik weet het vrijwel zeker. Ik heb alle avonden tot nu toe meegemaakt. Eergisteren was je er niet, maar gisteren viel je mij op. – Is dat echt zo? – Zeker te weten. Je bent een mooi meisje. Mooie meisjes vergeet ik niet. – Dankjewel, denk ik. – Ben je hier alleen? – Nee, met een vriendin. Ik heb hier met haar afgesproken. – Dus niet met een vriendje? – Nee. – Lucky me, zeggen ze dan in het Engels. – I suppose. – Hoe heet je? Ik vind het ook weer zo wat om je telkens ‘meisje’ te noemen. – Meisje is prima hoor. – Ik heet Peter. Maar je mag mij ook jongen noemen, als je wil.