Log 7 min

Er was eens een eiland

Bijna niemand kent Ada Kaleh, het Ottomaanse eiland dat verdween onder een stuwmeer in de Donau. Ik schreef er een roman over met drie verzonnen stemmen, een legendarische sigarettenhandelaar en een beschermheilige die visioenen uitdeelt vanonder zijn graf.

Er was eens een eiland

Ik weet niet meer precies wanneer ik voor het eerst over Ada Kaleh las. Het moet wel tijdens een van mijn dwaaltochten op Wikipedia zijn gebeurd, tijdens het schrijven van Of de oleander de winter overleeft of In de schaduw van de eik. Wat ik wél weet, is dat ik dit eiland op de Donau vervolgens overal tegenkwam. Een voetnoot in een Hongaarse roman, een vergeelde foto in een online Roemeens archief (lees: op ‘feesboek’), een halve alinea in een boek over de Donau. Steeds hetzelfde verhaal, maar steeds te kort aangestipt: er was een eiland vol Ottomanen middenin Europa… en het is er niet meer.

En dan leef ik dus op. Er was eens een eiland. Bijna duizend mensen woonden er. Min of meer iedereen was Turkstalig, Ottomaans, Osmaans. Er stond een moskee en inwoners en toeristen struinden over een bazaar met de geur van rozenwater en tabak. Tot 1970. De communistische regimes van Roemenië en Joegoslavië besloten dat een waterkrachtcentrale in de IJzeren Poort belangrijker was dan een mini-wereld. De bewoners kregen een paar maanden van Ceaușescu en Tito om te verhuizen. Hun woningen werden gesloopt, hun doden opgegraven. Het eiland verdween onder het stuwmeer.

Ada Kaleh, de bazaar.

Bijna niemand kent dit verhaal. Zeker niet in Nederland en Vlaanderen, maar ook steeds minder in Roemenië, Turkije, Servië en Hongarije. Dat vraagt om een roman: De laatste eilanders.


Drie stemmen

Ada Kaleh is een waargebeurd verhaal, maar De laatste eilanders is geen non-fictie. De laatste bewoners leven nog, sommigen in Turkije, anderen verspreid over Roemenië. Ik had ze kunnen opzoeken. Maar ik wilde geen reconstructie schrijven. Ik wilde voelbaar maken hoe het is om te weten dat je wereld gaat verdwijnen en dat je daar helemaal niets aan kan doen. Dat kan alleen fictie. Dus ik moest stemmen verzinnen.

Ik bedacht er drie.

Azra klimt overal: op de vestingmuren, in de magnolia’s, in Volkans boot waar ze zich verschuilt. Het communistische Roemenië laat haar niet gaan, niet eens in haar dromen, en toch geeft ze niet op. Haar stem was direct het meest duidelijk voor mij. ‘We kunnen altijd doen alsof het kan,’ zegt ze ergens in de roman. ‘En dan kan iets altijd.’ Ik heb lang aan die zin gepeuterd. Het is een beetje het soort logica dat alleen klopt als je wanhopig genoeg bent.

Dan Ibrahim. Hij rookt al over zijn longen. Hij ziet zichzelf als erfgenaam van Ali Kadri, de legendarische sigarettenhandelaar. Hij vlucht niet, zegt hij. Hij tuft dikke fluimen op zijn geboortegrond. Iedere jongen wil Ibrahim zijn, iedereen behalve Ibrahim. Dan wordt hij verraden, maar door wie? Pas jaren later begrijpt hij hoe diep het verraad reikt. Althans, hij denkt dat hij het begrijpt.

We kunnen altijd doen alsof het kan. En dan kan iets altijd.

Tot slot is er de stem van Deniz, de zoon van de boekhandelaar. De twijfelaar. Deniz twijfelt over alles, maar vooral over zichzelf. Hij is een lezer, geen schrijver. Schrijven klinkt als oorlog, denkt hij. Hij jaagt op de kroon van keizer Frans Jozef om Azra tot zijn koningin te kronen, maar zij duldt geen keizers. Van de drie is Deniz degene die het dichtst bij mij staat, maar dat zeg ik natuurlijk niet hardop. Kuch.

Ze houden alledrie van hetzelfde eiland, van Ada Kaleh, maar Ibrahim spuwt op de grond, Azra kijkt over het water en Deniz droomt van een toekomst die er misschien nooit zal komen.

De heilige die bleef

Ada Kaleh had zelfs een beschermheilige. In 1786 ontvluchtte een steppeprins uit Boechara zijn paleis na een helder visioen: hij zag een bescheiden eiland in de Donau met één moskee. Een stem riep hem ernaartoe. Hij gehoorzaamde. Te voet doorkruiste hij velden en moerassen. Bij de Donau wees hij een stel vissers waar ze hun netten moesten uitgooien. De vangst was zo groot dat ze hem naar het eiland brachten.

Niemand kende zijn naam. De eilanders noemden hem Miskin Baba: de arme oude man. Hij genas zieken, vulde lege vaten met wijn, hielp onvruchtbare vrouwen moeder worden. Wat wil je nog meer? Hij vroeg niets en gaf alles. Vlak voor zijn dood smeekte hij de imam: begraaf me hier. De eilanders bouwden een graftombe van zwerfstenen. Want ook na zijn dood zou hij de eilanders helpen. Wie een handje zand van zijn graf meenam en onder het hoofdkussen legde, kreeg bezoek van Miskin Baba. Hij bleef visioenen uitdelen. Zo was deze patroonheilige, in elk geval tot zijn beenderen eind jaren zestig werden verplaatst naar een ander eiland. De belofte van de imam brak tegen het beton van vooruitgang.

Aan mijn bureautje las ik over Miskin Baba en dacht: dit verzin je niet. Dit vind je… en dan moet je het opschrijven.

Miskin Baba heeft me nu al geholpen.

Wat ik hoop

Elke keer als een boek af is, word ik weer veertien. Ik wil dat iemand zegt dat het goed is. Dat het klopt wat er staat. Mijn redacteur zegt het, mijn agent zegt het, maar die moeten dat zeggen, dus dat telt half. Vanaf vandaag zijn lezers en recensenten aan de beurt en dan zal blijken of dit boek binnenkomt zoals ik hoopte tijdens het schrijven. Het verhaal is in elk geval mooi en bij vlagen een beetje vreemd. En dat is me veel waard.

Benieuwd? Lees hier het eerste fragment.

Voor de zekerheid heb ik gisteravond een handje Zandvoortstrandzand onder mijn kussen gelegd. Miskin Baba, als u het leest: ik kan alle hulp gebruiken.

De laatste eilanders - Voorjaar 2026
Voorjaar 2026 · HarperCollins Holland

De laatste eilanders

De laatste eilanders vertelt het waargebeurde verhaal van Ada Kaleh, een Ottomaans eiland in de Donau dat moest verdwijnen voor de vooruitgang. Over drie vrienden die zich verzetten tegen het water en een communistisch regime. Een historische roman over liefde, verlies en wat er overblijft wanneer een wereld ondergaat.