Op de kermis

– Kom je hier vaker? – Meestal één keer per jaar. Soms twee keer. – Ja, ik wilde net zeggen: volgens mij zag ik jou gisteravond ook lopen. – Is dat zo? – Ik weet het vrijwel zeker. Ik heb alle avonden tot nu toe meegemaakt. Eergisteren was je er niet, maar gisteren viel je mij op. – Is dat echt zo? – Zeker te weten. Je bent een mooi meisje. Mooie meisjes vergeet ik niet. – Dankjewel, denk ik. – Ben je hier alleen? – Nee, met een vriendin. Ik heb hier met haar afgesproken. – Dus niet met een vriendje? – Nee. – Lucky me, zeggen ze dan in het Engels. – I suppose. – Hoe heet je? Ik vind het ook weer zo wat om je telkens ‘meisje’ te noemen. – Meisje is prima hoor. – Ik heet Peter. Maar je mag mij ook jongen noemen, als je wil.

Nette mensen en slechts een paar rotte appels

De Roemenen en Bulgaren die na 1 januari naar Nederland komen, hebben maar één ding voor ogen: werken. En om te werken, moet er wel werk zijn. Het werk dat er is, ligt bijvoorbeeld bij de tuinders. Zij staan te popelen om Roemenen en Bulgaren binnen te halen. De smaakvolle Hollandse aardbeien zouden niet bestaan zonder Midden- en Oost-Europese-landers. Projecten om werkloze Nederlanders de kassen in te krijgen, zijn vrijwel allemaal genadeloos mislukt. Het is hard en geestdodend werk, voor een minimaal loontje.