Het hokje van de Roemeen

Eind 2013 schreef ik een opiniestuk voor misschien wel de beste krant van Nederland. Nette mensen en slechts een paar rotte appels. Hierin weerlegde ik de profetische woorden van Geert Wilders die de burger waarschuwde voor een ‘tsunami’ van Roemenen en Bulgaren. Ik stoorde mij aan alle populistische prietpraat. Ik wilde dat we het opnieuw over mensen zouden hebben. In het stuk behandelde ik stereotypen met een sloophamer. Toch besloot de beeldredactie van Trouw om er een foto bij te plaatsen van het meest armtierige hutje dat in Roemenië te vinden is. Een armoedig bouwsel gemaakt van rot hout, lappen stof, kerst-inpakpapier en golfplaten. Sneeuw en blubber, buitenwas en een bont vrouwtje. De ondertitel: het Roemeense platteland. Een indringend beeld, dat zeker, maar onjuist en stigmatiserend bovendien.

Roemenië is slechts een halve democratie

Voor ’89 stonden de inwoners van communistisch Roemenië uren in de rij voor levensmiddelen. Aanstaande kerst is het exact vijfentwintig jaar geleden dat er aan deze rijen een einde kwam door de brute executie van oud-dictator Nicolae Ceaușescu en zijn vrouw. Even bruut was de daaropvolgende omschakeling naar het kapitalistische systeem. De eerste ronde van de Roemeense presidentsverkiezingen maakte eergisteren echter eens te meer duidelijk dat het land nog steeds in transitie is. Velen van hen die – direct of indirect – gevlucht zijn voor de gevolgen van het communistische regime vormden opnieuw een keten van menselijk ongeduld, nu om hun stem uit te brengen. Londen, München, Parijs: overal in Europa werd het Roemenen letterlijk onmogelijk gemaakt om te stemmen.